Bogen
Legolas droeg een boog van donker hout, waarschijnlijk taxushout, die in zijn jeugd in Demsterwold vervaardigd was. Hij was uit één stuk gesneden in de stijl van de Numenóreaanse handbogen en dus simpel van constructie, maar gegraveerd met geraffineerd, met goud ingelegd klimoppatroon dat zich om beide boogarmen wikkelde. Aangezien Legolas zijn boog vrijwel onveranderlijk gebruikte in de beschutting van het woud, was deze niet erg lang(1,5 meter). Hij was evenwel bijzonder krachtig en kon op ruim 200 meter dodelijk zijn, hoewel Legolas zijn vijanden in de dichte begroeiing van Demsterwold waarschijnlijk doorgaans van veel dichterbij bestookte. De pijlen van het Demsterwold waren 75 cm lang. Ze hadden een stevige schacht om de druk van de boog te weerstaan en waren donkerbruin gebeitst om bij de boog te kleuren. Ze hadden een lang, vlijmscherp geslepen punt opdat ze beter door wapenrusting en vlees zouden dringen. De groene baard was vrijwel zeker gemaakt van de veren van fazanten of ander wild uit de omringende bossen, en de keep was met de hand gesneden. Ze werden bewaard in een houten pijl koker die gebeitst en met hars behandeld was om hem een diepe, flonkerende glans te geven. Verder was hij versierd met dik gouden krulwerk rondom de opening.

De boog die Legolas in Lórien werd geschonken, was een staaltje van buitengewoon vakmanschap: hij schijnt uit één stuk kernhout van een mallornboom gesneden geweest te zijn en was z\o kunstig gegraveerd dat hij begroeid leek met ranken en bladeren van een lichtere houtsoort dan de boog zelf. In gespannen toestand was de boog ongeveer 1,70 lang en men zegt dat de pijlen die ermee afgeschoten werden, tot op ruim 350meter nauwkeurig waren. De pijlen waren ongeveer een meter lang en iets dunner dan die van het Demsterwold om het gewicht laag te houden. De groengouden baard was van kalkoenveren die in de vorm van een ruit gesneden waren, De schacht was grijsgroen gebeitst en de lange stalen punt had de vorm van een mallornblad om een zo groot mogelijke wond te veroorzaken. Vanwege de enorme kracht die erop uitgeoefend werd, was de keep versterkt met bot of een speciaal soort vuursteen dat alleen maar bij de Zilverlei gevonden werd, De pijlkoker van Lórien was gemaakt van met leer bespannen hout, ingelegd met een prachtig patroon van goudgele pauwveren, een zeldzame vogel in Midden-aarde, en de opening was versterkt met een gouden schedemondblik. Hij kon ongeveer 2 dozijn pijlen bevatten en werd gedragen aan riemen die stevig om schouders en bovenlichaam gegespt waren om te voorkomen dat tijdens het reizen of vechten verschoof.

Witte messen
Aan de riemen van Legolas boogholster en pijlkoker zaten 2 met repen ongelooide huid vastgebonden, parelwitte schedes die elk een lang mes bevatten, Deze stonden bekend als Witte Messen, ze waren bijna 60cm lang. Het heft, dat was ingelegd met de elfenranken, had een lengte van ongeveer 20cm en krulde op dezelfde manier als Hadhafang om de indruk te wekken van een levende twijg. En net als bij dat befaamde zwaard waren de bronzen borg en knop diagonaal aan de angel bevestigd en volgden ze precies de vorm van het heft zodat nergens metaal uitstak. Het veertig centimeter lange lemmet was gesmeed van het fijnste staal en versierd met een doorwrocht, diep ingesneden en met messing ingelegd patroon van krulwerk en ranken. Het lemmet was enkelsnijdend en liep uit in een scherpe punt, zodat Legolas het mes voor zowel snelle houwen als korte steekbewegingen kon gebruiken.

Wapenuitrusting
Naar verluidt Heeft Legolas, Afgezien zijn leren armbeschermers, slechts één keer in zijn leven een wapenuitrusting gedragen, namelijk toen hij zich klaarmaakte voor de slag van Helmsdiepte. Hij droeg schouderstukken die bestonden uit 8 lamellen van taai, gekookt leer, die om zijn armen en voor zijn borst gegespt werden. Hoewel de lamellen aan elkaar geklonken waren , lieten ze hem waarschijnlijk toch voldoende vrijheid van beweging; de vierde zesde en achtste lamellen waren gegraveerd met een Rohan-motief. Legolas kreeg niet de kans om zich voor de slag op de Velden van Pelennor op soortgelijke wijze uit te rusten, en dus vocht de elf in zijn normale reisuitrusting. Die bestond uit een geborduurd licht blauwe zijden overhemd, een zachte grijsgroene wollen broek en hoge suède laarzen met versieringen in de vorm van overlappende bladeren. Daarboven droeg hij een dubbel suède wambuis waarvan de binnenlaag olijfgroen en de ietwat dikkere buitenlaag bruin was. De korte tuniek reikte tot vlak onder zijn middel en had half lange mouwen en opengewerkte zijkanten om te voor komen dat Legolas in zijn beweging beperkt werd. Hier overheen droeg hij de mantel die hij in Lórien gekregen had en die met een broche in de vorm van een zilveren blad aan de tuniek werd bevestigd