De Dolers van Ithilien
Dit is een guerrillastrijdmacht van Gondor in Noord-Ithilien, met het doel de vijand te teisteren en de bezetting van dat land te verijdelen in de jaren voorafgaande aan de Oorlog om de Ring. Deze strijdkrachten opereerden van geheime bases uit, die enige jaren eerder op bevel van een vooruitziende Stadhouder, Túrin II, waren aangelegd. In latere jaren werden de Dolers van Ithilien door Túrins achterkleinzoon, Faramir geleid.
Henneth Annűn
Henneth Annűn betekent Venster van de Zonsondergang. Een voorpost van Gondor gebouwd in de betwiste provincie Ithilien aan het einde van de Derde Era. want tegen die tijd, meer dan een eeuw voor de Oorlog om de Ring, was het eindelijk duidelijk geworden dat Gondor niet langer een steunpunt in Noord-Ithilien kon behouden: Orks uit Mordor zwierven door het land en de weinig overgebleven nederzettingenwaren zwaar versterkt. Omdat hij het soort oorlogsvoering voorzag dat Gondor zou moeten toepassen om Ithilien een gevaarlijke buit voor de Vijand te maken, bouwden Stadhouder Túrin II verborgen schuilplaatsen tussen de hooglanden en bossen van dat mooie land. Van deze geheime plaatsen was Henneth Annűn de langst bewaakte en best verborgene, een samenstel van Natuurlijke grotten en gangen verscholen achtereen hoge waterval die naar het westen over het dal van Anduin uitkeek. Een geheime gang voer de van het bos beneden naar de grotten en een verdere tunnel gaf toegang tot een rotsplatform boven aan de waterval. De schuilplaats was altijd ruim van proviand voorzien en verschafte een uitstekende basis van waaruit de Dolers van Ithilien tegen de vijand op roof uit konden gaan.
Wapens
Zoals gezegd was de boog het voornaamste wapen van de dolers. Dit was een simpele handboog, meestal gemaakt uit 1 stuk taxis hout zonder versiering of achterwaartse kromming, die soms wel 2 meter lang was. Er was veel kracht voor nodig m de pees te spannen, en het in bedwang te houden van de enorme energie die ze opwekten, vereiste grote vaardigheid: men schat dat de bogen van de dolers van Ithilien een trek van zeker 140 pond hadden. Bij gebrek aan een pijlsteun lieten de dolers de pijlen op hun handschoen rusten. De pijlen waren gemaakt van diversen soorten hout, daar het bosrijke Ithilien vele boom soorten had. De pijlen waren doorgaans zo'n 70cm lang, met een 10 cm lange stalen punt en een groen gouden baard van bosvogelveren. Men zegt dat een doler zonder ooit te missen een mens of dier op 180 meter afstand kon doden. De dolers droegen hun pijlen in een koker die veel weg had van die van de Rohhirim: een leren koker met een voering van canvas die over de pijlen getrokken kon worden om ze droog te houden en misschien ook om te voorkomen dat ze bij het besluipen van de vijand geluid maakten. De pijl koker werd niet aan de gordel gedragen, zoals bij de troepen van Gondor maar strak tegen het lichaam gebonden.

Voor man tegen man gevechten droeg de doler een gewoon Gondor-zwaard aan zijn gordel. Minas Tirith zal ongetwijfeld ruim voorzien zijn geweest van smeden die zich in spanden om wapens en uitrustingen naar een vastgestelde norm van vorm en grootte voor het koninklijke leger te maken. Ook droegen al hun producten het motief van een stad van 7 niveaus. Bij de zwaarden was dit motief zichtbaar op de bronzen pommel, die aanzienlijke afmetingen had om tegenwicht te vormen voor de brede, massieve kling die in een ruitervorm gewalst was en een lengte van ongeveer 70 cm had. De halvemaanvormige pareerstang was even eens brons. De afmetingen en het gewicht van het eenhandige wapen waren bij uitstek geschikt voor de hak en houwstijl van de zwaardvechters van Gondor. De onversierde houten schede was bespannen met donker leer en voorzien van een bronzen schedemondblik. Daaronder was het bonzen embleem van Minas Tirith te zien, te midden van gegraveerde lijnen die mogelijk de Rammas Echor en de rivier Anduin verbeeldden.
